3XROOD

Jubileumboek hoofdstuk 6

Brandweer in WO-II en tijdens wederopbouw

De Nederlandse overheid richtte voor de oorlog de Luchtbeschermingsdienst (LBD) op. De belangrijkste bepaling rondom de gemeentelijke brandweer was dat zij zou worden opgenomen als onderdeel van de LBD en dat een Rijksinspectie toezicht zou houden. Het rijk verstrekte aanvullend materieel, zoals kleine motorspuiten.
De algemene leiding over de Luchtbeschermingsdienst had burgemeester Van der Schueren. G. Bekker was het hoofd en Raaijmakers zijn vervanger. In Oosteind kregen A. Driesen en B. de Jong als vakleider en plaatsvervanger een aanstelling. In Den Hout waren dat respectievelijk C. van Alphen en A. Oomen. Stuivezand had twee verantwoordelijke LBD’ers: C. Klaassen en A. de Wijs. In Dorst traden aan: G. van de Wouw en J van Gool. Deze mensen dienden als leidinggevenden in tijden van gevaar. Zij moesten paraat zijn en pogen ‘ hun mede menschen te beveiligen en te beschermen’.
Dat de brandweer van Oosterhout in de oorlog weinig kon uitrichten, blijkt bij de brand op 6 mei 1941 bij de Hoogh’s nougatfabrieken aan de Torenstraat. Het vuur greep zo snel om zich heen dat de twee fabriekschefs, die naar boven waren gelopen om met het blussen te beginnen, zich slechts met moeite konden redden. Een van hen, Dré Biemans, "moest zelfs van den zolder naar beneden springen. Een hoogte van ongeveer 4 meter.”
Na de Oorlog moest alles anders worden. De brandweer van Oosterhout begon met een nieuw elan aan haar taak. Het materieel dat de oorlog had overleefd was de Studebaker, 8 cilinder, met een open carrosserie. Zes tot zeven man konden in de kattenbak en ‘enige waaghalzen op het achterspatbord’, zoals Jan Meerdink het noemde. De auto remde niet op de motor af, waardoor soms levensgevaarlijke situaties in de bochten ontstonden.

Rechts het in 1941 afgebrande pand van Hoogh’s Nougatfabrieken aan de Torenstraat. In: Regionaal Archief Tilburg (RAT), foto-id: 102798.